Levensverzekering / polischeck

De begunstiging op de polissen van de man luidt als volgt:

1. De verzekeringsnemer.

2. De weduwe van de verzekeringsnemer.

3. De kinderen van de verzekeringsnemer, ieder voor een gelijk deel.

4. De erfgenamen van de verzekeringsnemer.

Volgens de levensverzekeringsmaatschappij komt de uitkering toe aan beide kinderen omdat de man niet met zijn vriendin was getrouwd of een geregistreerd partnerschap had gesloten en de levensverzekeringsuitkering buiten de nalatenschap om wordt ontvangen. De begunstigde heeft ten aanzien van de levensverzekeraar een zelfstandig recht. Het verzekerde kapitaal wordt uitgekeerd aan de op de polis genoemde begunstigden ook al zou dit in het testament anders zijn bepaald.

De vriendin van de man stelt dat zij gerechtigd is tot de uitkering omdat de bedoeling van de man niet in overeenstemming is met de polissen. De vriendin wijst hierbij op het samenlevingscontract en het testament. Volgens de vriendin heeft de man nooit beseft dat de polissen niet in overeenstemming waren met het testament.

De Rechtbank heeft de vordering van de vriendin afgewezen. Volgens de Rechtbank schrijven de artikelen 7:966 lid 1 en 7:974 BW dwingendrechtelijk voor dat bij een sommenverzekering de aanwijzing van een begunstigde plaatsvindt door een schriftelijke mededeling aan de verzekeraar. Die aanwijzing is een uitsluitende bevoegdheid van de verzekeringnemer. In HR 21 september 2012 is door onze Hoge Raad geoordeeld dat met dit eenzijdige karakter van de aanwijzing van de begunstigde en met de aard van deze rechtshandeling strookt dat bij de uitleg daarvan in de eerste plaats wordt nagegaan wat de bedoeling is geweest van de verzekeringnemer bij de aanwijzing en dat daarbij mede wordt gelet op eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling ook als deze niet jegens de verzekeraar zijn afgelegd of hebben plaatsgevonden. Beide kinderen betogen terecht dat het bij het vaststellen van de bedoeling van de verzekeringnemer naast de schriftelijke mededeling aan de verzekeraar gaat om verklaringen en gedragingen ten tijde van de aanwijzing van de begunstigde. Niet in geschil is dat de man de polissen en de begunstigden daarop na het jaar 2003 niet meer heeft gewijzigd. Eventuele intenties van de man om de begunstiging op de polissen nadien te wijzigen, welke bedoelingen zouden blijken uit het samenlevingscontract (2006) en het testament (2006/2013), zijn dan ook niet relevant. Dat de man bij het aangaan van de levensverzekeringen een andere bedoeling heeft gehad dan het aanwijzen van de huidige begunstigden is niet gebleken. Dit betekent dat hier alleen kan worden gelet op de polissen. Op grond van artikel 7:967 lid 1 sub b BW is de aanwijzing van de man als eerste begunstigde met het overlijden van de man vervallen. Aangezien de man ten tijde van zijn overlijden niet gehuwd was, vervalt ook de onder 2. aangewezen begunstigde en komt de uitkering op die polissen toe aan de onder 3. aangewezen begunstigden, te weten beide kinderen van de man.

Meld u aan voor onze nieuwsbrief