Schuldsanering en erfenis

Vanwege haar schulden heeft X op de voet van artikel 284 Fw de Rechtbank verzocht om de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Dit verzoek is echter afgewezen omdat X de nalatenschap van haar vader heeft verworpen. De Rechtbank overweegt het volgende:

Een schuldeiser van X heeft op grond van artikel 4:205 BW (erfrechtpauliana) een verzoek tot vereffening gedaan. Gebleken is dat dit verzoek zal worden toegewezen. Alleen staat nu nog niet vast wie de vereffenaar zal worden. Concreet betekent dit dat de vereffenaar zal gaan vaststellen wat de nalatenschap is en wie recht heeft op welk deel van de nalatenschap. Zo mogelijk zullen privéschuldeisers van erfgenamen worden voldaan uit de nalatenschap ook al hebben die erfgenamen die nalatenschap verworpen (artikel 4:219 BW). Op dit moment kan daarom niet worden bepaald wat de (uiteindelijke) schuldenlast is van X, laat staan of dit een problematische schuldenlast is. Bovendien is het onvoldoende aannemelijk dat X ten aanzien van het onbetaald laten van haar schulden in de afgelopen vijf jaar te goeder trouw is geweest. X stelt dat zij geen contact meer had met haar vader, maar zij is niet door hem onterfd. Het verwerpen van de nalatenschap is nadelig voor haar schuldeisers. Die kunnen nu immers niet (gedeeltelijk) voldaan worden uit deze nalatenschap. Aan X kan worden toegegeven dat zij een onderhoudsverplichting heeft jegens haar dochter die door de verwerping op grond van plaatsvervulling in haar rechten is getreden, maar die verplichting gaat niet zover dat haar schuldeisers daarvan de dupe mogen worden. Zij had haar erfdeel moeten gebruiken om haar schuldeisers zoveel mogelijk te voldoen. Dat heeft X nagelaten waardoor één van haar schuldeisers gedwongen werd om een verzoek tot vereffening in te dienen. Daarmee heeft X die schuldeiser wel weer advocaatkosten laten maken.

Rb. Rotterdam 3 november 2017, nr C/10/535104 / FT EA 17/1904 (RBROT:2017:8899)

Meld u aan voor onze nieuwsbrief